|
Peter Mertens publiceerde recent zijn boek Hoe durven ze? Hieronder het hoofdstuk over Griekenland, lang, maar de moeite waard om helemaal door te lezen.
Toen de dageraad aanbrak stond Theseus, de zoon van Aegaeus, van zijn bed op. Hij bond glanzende sandalen aan en wandelde langs de golfrijke zee. Daar zag hij een groep mensen ellendig jankend als de schicht van pijlen. Ook zag hij zeven Atheense jonggezellen en zeven dochters die aan boord van een schip met zwarte zeilen werden gebracht, de handen gebonden met zwaar touw. Theseus vroeg met heldere stem: “Wie zijn die jonge mensen?” “Snelvarende schepen varen hen naar Kreta. Wij hebben medelijden met hen.” “Waarom?”, vroeg Theseus. “Wat gebeurt er dan met hen?” “Weet je dat dan niet? Ze worden levend gevoerd aan de Minotaurus, het woedige dier dat in het doolhof op Kreta woont, aan de zoom van de wijnkleurige zee.” Griekenland en de zee! Omgeven door twee zeeën, de Ionische Zee in het westen en de Egeïsche Zee in het oosten, is het schiereiland altijd een land van zeevaarders geweest. Toen het gewelfde schip van Theseus, die de Minotaurus op Kreta had overwonnen, de haven van Athene weer binnenvoer, vergat de held dat hij witte zeilen moest hijsen, in plaats van de zwarte. Zijn vader, Aegaeus, dacht daardoor dat zijn zoon door de Minotaurus gedood was. Wanhopig van verdriet wierp Aegaeus zich in de zee, die daarom zijn naam zou dragen: de Egeïsche zee. De haven van het oude Athene, nauwelijks een paar kaden toen, is nu de haven van Piraeus. Griekenland telt vandaag zo maar eventjes 123 havens. Piraeus is de grootste, in een wemeling van cargo’s, ferry’s, roroschepen, cruiseschepen, tankers, catamarans en vissersvaartuigen. Dan komt Thessaloniki in het noordoosten, richting Zwarte Zee en Azië. De Griekse reders hebben de grootste handelsvloot ter wereld in handen: samen ruim 4100 schepen, goed voor 16 procent van de wereldhandelsvloot. Dat is meer dan de Japanners of de Chinezen. De Griekse rederijen verdienen meer dan de hele toeristische sector. In 2010 zagen de grote reders hun inkomsten stijgen tot 15,4 miljard euro. Het toerisme genereerde 9 miljard euro inkomsten. Toch vloeit van die rederij-miljarden haast geen cent naar de staat. De reders genieten sinds jaar en dag, via een netwerk van fiscale maatregelen, feitelijk een belastingvrijstelling. De fiscus kijkt hun rekeningen niet in. Elke Griekse miljonairsfamilie met aandelen in een rederij of in een maritiem consortium – samen zo’n duizend families – is op die manier vrijgesteld. Een goed geolied fiscaal paradijs. De reders bewaren hun geld in Zwitserland of in Cyprus, in Liechtenstein of in Londen. De allerrijkste is Spiros Latsis, de zoon van de oude scheepsmagnaat John Latsis. De familie Latsis is ook actief in de scheepsbouw en de bankwereld. Zoon Spiros is bovendien de grootste aandeelhouder van Hellenic Petroleum. Op de lijst van de multimiljardairs in de wereld staat hij op nummer 68. Hij studeerde aan de London School of Economics, samen met ene José Manuel Barroso.
In juni 2004 wordt Barroso voorzitter van de Europese Commissie. Twee maanden later, in augustus, is hij uitgenodigd voor een weekje vakantie op een pronkerig plezierjacht van de familie Latsis. Latsis heeft net PrivatSea opgestart, een exclusieve jachtclub die haar leden “een buitengewone ervaring aan boord van ’s werelds spectaculairste jachten” belooft. Inclusief de Alexandria, die met haar lengte van 400 voet het op drie na grootste jacht ter wereld is. Daar waar Aegaeus zich in zee stortte, trekken Barroso en Spiros Latsis samen de zwembroek aan op het dek van misschien wel het meest luxueuze jacht op aarde. Een maand later keurt de Europese Commissie 10,3 miljoen euro subsidie van de Griekse staat aan de scheepswerven van de familie Latsis goed. Toeval? Of “ons kent ons, wie doet ons wat”? Langs de achterdeur wordt de rijkdom het land uitgesleurd Terwijl in de vroege herfst van 2011 veel Grieken in vuilnisbakken scharrelen naar voedsel – “het zijn keurige mensen maar ze zijn gedwongen in het huisvuil naar eten te zoeken”, zegt een man van de reinigingsdienst – zijn er ook Grieken met geld. Veel geld. Heel veel geld zelfs. Griekenland blijft ook midden deze crisis een fiscaal paradijs voor de rederijen, voor de zesduizend grotere bedrijven en voor het instituut van de orthodoxe kerk. Tot voor kort stond op het Griekse paspoort ook je religie vermeld. Dat werd pas in 2001 ongedaan gemaakt na een klacht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De Griekse orthodoxe kerk is machtig, zoveel is zeker. Kerk en clerus beheersen nog een flink deel van het leven, moreel, politiek maar ook economisch. De orthodoxe kerk bezit het grootste vermogen van het land, op de staat na. Ze heeft meer dan negen miljoen aandelen in de Griekse Nationale Bank, ze bezit hotels, parkings, magazijnen, ondernemingen en 350 toeristische centra. Het kerkinstituut is met zijn 130.000 hectare bossen, velden, bergen en stranden meteen ook de grootste grootgrondbezitter van het land. Het levert de kerk jaarlijks miljoenen euro’s op en dat geld bleef tot voor kort belastingvrij. Toen in 2010 toch een taks werd geheven, weigerden sommige monasteries te betalen. Gechoqueerd gingen gelovigen voor de grootste kerk van Athene betogen met het spandoek: “Jezus heeft gezegd dat men moet delen”. Delen? Dat is alvast niet de houding van de Griekse miljonairs. Het geld dat in Griekenland wordt verdiend, verdwijnt steeds sneller naar het buitenland. Vooral naar de veilige kluizen van Zwitserse banken, waar men geen vragen stelt. De Griekse miljonairs hebben in totaal al 280 miljard euro naar Zurich verkast, en nog eens evenveel naar andere buitenlandse banken. Een fiscale exodus ter waarde van 560 miljard euro; dat is het dubbele van het Griekse bbp, de jaarlijks geproduceerde rijkdom in het land.29 Dat veel landgenoten hun ziektekosten of elektriciteit niet meer kunnen betalen, dat meer en meer mensen hongerlijden, trekken deze miljonairs zich geen moer aan. En dus krijg je een surrealistische situatie: aan de voordeur smeekt de Griekse regering de Europese Unie om nieuwe leningen en garandeert ze dat ze de allerlaatste centiem uit het werkvolk zal persen om die leningen terug te betalen. Terzelfdertijd slepen de miljonairs de rijkdom van het land via de achterdeur het land uit. Griekenland is in principe een rijk land. In 2007 werd er vijf keer meer rijkdom geproduceerd dan in 1990. Maar terwijl het bbp maal 5 ging, gingen de winsten maal 28! Neoliberale belastinghervormingen zorgden ervoor dat die winsten fiscaal grotendeels onaangeroerd bleven. Nauwelijks een derde van de Griekse rijkdom belandt bij de loontrekkers: slechts 36,3 procent van het bbp gaat naar de lonen. Dat is veruit het laagste percentage in de Europese Unie. De salarissen liggen dan ook op een magere 60 procent van het Europese gemiddelde. De rijkdom die de Griekse samenleving voortbrengt, komt niet in handen van die samenleving maar van de rijkste segmenten ervan. Zeggen dat “de” Grieken jarenlang boven hun stand hebben geleefd, is dan ook larie en apekool. Midden de crisis: 7,9 miljard euro voor Frans en Duits wapentuig In de zomer van 2009 gebeurt iets merkwaardigs. Griekenland betaalt in dat crisisjaar 2,5 miljard euro voor zes Franse fregatten, nog eens 400 miljoen euro voor vijftien Franse Puma-gevechtshelikopters van de wapengigant EADS nv en tot slot nog eens 5 miljard euro voor zes onderzeeërs van het Duitse ThyssenKrupp. Boem, paukenslag! 7,9 miljard euro voor Frans en Duits wapentuig, middenin de crisis. Merkel en Sarkozy tekenen plan na plan uit om ervoor te zorgen dat Griekenland de leningen aan Duitse en Franse banken kan betalen. Het duo spuit mening na mening over wat het Griekse volk moet doen maar in het medialicht houdt het de kiezen op elkaar wanneer het over de wapendeals gaat. Der Spiegel zette het Griekse shoppen in Duitsland op een rijtje en dat is indrukwekkend. Onderzeeërs, jachtbommenwerpers, tanks… Het kleine Griekenland met zijn 11 miljoen inwoners staat op de wereldranglijst van big spenders inzake conventionele bewapening op de vijfde plaats. Het geeft exorbitant veel uit aan defensie: 3,1 procent van de nationale rijkdom. Landen als Frankrijk en Groot-Brittannië besteden respectievelijk 2,3 en 2,4 procent aan defensie. Alleen de VS doen beter, met 4 procent. Crisis of geen crisis, de grote Europese broers zetten de Grieken onder druk om de wapenaankopen gewoon te laten doorgaan, op straffe van geen lening. Het persbureau AP citeert een adviseur van premier Papandreou: “Niemand zegt: ‘Koop onze oorlogsschepen of we helpen je niet met je schulden.’ Maar de niet mis te verstane onderliggende boodschap is dat we meer hulp krijgen als we doen wat zij willen op bewapeningsvlak.” Het tijdschrift Vrede schrijft: “President Sarkozy zou in februari 2010 druk uitgeoefend hebben op Papandreou toen die op bezoek was in Frankrijk voor hulp bij de financiële perikelen van zijn land. Op de dag dat Papandreou naar Parijs ging, kondigden de Grieken aan dat ze de geplande aankoop van zes Franse Fremm-fregatten ter waarde van 2,5 miljard euro niet zouden herzien, ondanks de financiële afgrond waar ze voor stonden.” Griekenland is een Navobondgenoot om door een ringetje te halen. Op het kruispunt van drie continenten is het een strategische plek. Zeker nu de Navo en de Amerikaanse strategen alle aandacht hebben voor noordelijk Afrika, het Midden-Oosten, Iran, de Balkan, de landen van Oost-Europa en Rusland. Begin oktober 2011 koopt het failliete Griekse establishment nog maar eens 400 tanks en een twintigtal amfibievoertuigen van het Amerikaanse leger. En, zo blijkt, ook nog eens vier oorlogsschepen ter waarde van elk drie miljoen euro van Frankrijk. De Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk spelen de rivaliteit tussen Griekenland en buurland Turkije handig uit. De wapenfabrikanten eten van twee walletjes als leveranciers aan beide rivalen. Bestelt Griekenland nieuwe wapens, dan kan de wapenfabrikant even wachten en daar melden de Turken zich al voor dezelfde spulletjes. De Koude Oorlog in het klein, zo lijkt het wel. Ware het niet dat al dat nieuwe oorlogsmateriaal helemaal niet geschikt is voor een confrontatie met Turkije, maar des te meer voor de Navostrategie en om nieuwe machtsverhoudingen in het Midden-Oosten te helpen creëren zoals Washington die graag zou zien. Waarom blijft het anders zo pijnlijk stil in Washington, Brussel en Frankfurt over het feit dat de Griekse regering op alles bespaart behalve op oorlogstuig? Fact-free politics of hoe een haatcampagne wordt opgezet Op het Griekse eiland Hydra, waar de woningen hagelwit zijn en de zee diepblauw, woont de Nederlandse journaliste Ingeborg Beugel. Ze berichtte jarenlang over het land. Ze schrijft passioneel over het geritsel van de Griekse politieke en economische elite. “Ik vind het interessant dat de Europese Unie heel arrogant, keihard en meedogenloos allerlei eisen stelt aan Griekenland terwijl Brussel de Griekse regering niet onder druk zet om de corrupte politici aan te pakken.
Daar stuurt Brussel geenszins op aan. Sterker nog: Brussel zwijgt als het graf omdat er anders heel veel louche praktijken aan het licht zouden komen die met Europa te maken hebben. Siemens bijvoorbeeld heeft ongenadig veel smeergelden uitgedeeld in ruil voor een monopoliepositie tijdens de Olympische Spelen in Athene in 2004. Daar zijn miljarden omgegaan maar als je dat gaat aanpakken dan kom je ook aan een Duits bedrijf en dat wil Duitsland niet. Er zijn ook heel veel smeergelden betaald voor dure Duitse onderzeeërs. Griekenland heeft die gekocht tegen twee keer de prijs die Turkije ervoor moest betalen. Frankrijk dwong Griekenland in ruil voor ‘hulp’ peperdure gevechtsvliegtuigen aan te schaffen. De Wildertjes liegen echt: er wordt niks gegeven, er wordt dik verdiend aan de zogenaamde steun aan Griekenland”, vertelt ze aan de Nederlandse Radio1. Wildertjes? Geert Wilders noemt Grieken “junks” aan wie je geen geld moet geven. “De sjoemel-Grieken maken onze euro kapot”, kopt Bild Zeitung. En Frits Bolkestein beweert: “Een groot deel van de Griekse bevolking is lui.” Volgens Angela Merkel nemen de Grieken te veel vakantie en gaan ze te vroeg op pensioen. “We kunnen niet één munt delen terwijl de een heel veel vakantie heeft en de ander heel weinig. Dat gaat op den duur niet samen”, citeert het Duitse persbureau DPA de Bundeskanzlerin. En die Atheners krijgen nog een bonus om op tijd op het werk te verschijnen, horen we in De Zevende Dag. Allemaal gefundenes Fressen voor het grote publiek. Die Zuid-Europeanen toch. Op vakantie gaan, luxepensioenen trekken en dan nog eens om steun komen aankloppen van op hun terrasje waar ze de godganse dag zitten te niksen. Dat al die beweringen over de luie aanleg van de Grieken pure fictie is, doet er niet toe. Fact-free politics, heet dat. Zich niet storen aan de feiten. Hangen de Zuid-Europeanen de kiel vroeger aan de kapstok om te genieten van de mediterrane zon? Nee hoor. Oeso-cijfers van 2011 geven aan dat de Griekse mannen gemiddeld stoppen met werken als ze 61,9 jaar zijn, een maand later dan in Duitsland. Griekse vrouwen houden er wel eerder mee op: als ze 59,6 jaar zijn, tegen 60,5 in modelstaat Duitsland. In 2007 bedroeg, ook volgens de Oeso, het gemiddelde Griekse pensioen 617 euro. Ingeborg Beugel vertelt over mensen op Hydra die met pensioen gaan en direct werk moeten zoeken om rond te komen. “Mijn onderbuurvrouw van 94, een weduwe, trekt een pensioen van 400 euro per maand. Dat is niet eens genoeg voor haar luiers en medicijnen. Ze redt het, in afschuwelijke omstandigheden, dankzij familie en buren. Ik ken geen enkele Nederlander met drie banen om de eindjes aan elkaar te knopen, maar wel tientallen Grieken die drie banen hebben om te overleven. Ja, er zijn Grieken met te hoge en vroegtijdige pensioenen. Zij vormen een uitzondering, geen regel. Trouwens: op Hydra woont een zorgeloze Nederlandse oud-lerares, die op haar vijftigste met pensioen is gegaan, nooit meer hoeft te werken en zonder enig financieel gebrek de rest van haar leven kan genieten van Griekenland. Geen enkele Griekse collega kan haar dat nadoen.” Ook over de Grieken als permanente vakantiegangers zit Merkel er merkelijk naast. De Grieken hebben volgens Eurofound gemiddeld 23 vakantiedagen per jaar. De Duitsers hebben er 30. Over het aantal vakantiedagen van Angela Merkel zelf durven we ons niet uitspreken. Haar jaarlijkse vakantiegeld zal wellicht wel iets boven het gemiddelde liggen. Misschien werken de Grieken gewoon minder? Ook niet. Volgens Oeso-cijfers hebben de Grieken in 2008 gemiddeld 2120 uren gewerkt, dat is 740 uren meer dan de Nederlanders, 690 uren meer dan de Duitsers, 570 uren meer dan de Belgen, 470 uren meer dan de Britten. Nog een bewering in de hype van de luie Griek is die over de overbevolking in de Griekse openbare sector. De feiten? In 2009 telde Griekenland 768.009 ambtenaren, alles inbegrepen: de tijdelijken, de gedetacheerden enzovoort. Dat is 11,4 procent van de beroepsbevolking. Goed voor de veertiende plaats in Europa. Zweden bijvoorbeeld heeft 30 procent ambtenaren, Denemarken 29 procent en Frankrijk 21 procent. Duitsland heeft er 10,2 procent. Van alle beweringen over de luie, vakantieovergoten Grieken – en bij uitbreiding ook de Portugezen, Spanjaarden en andere bewoners “uit de knoflooklanden”, zoals de altijd fijnbesnaarde Geert Wilders ze omschrijft – klopt dus niets. Maar het kwaad is geschied. Merkels uitspraken haalden de voorpagina’s. En wie leest nadien de rechtzettingen op bladzijde 18? Het cliché blijft hangen: de mediterrane profiteurs die op kosten van de rechtschapen, Noord-Europese belastingbetaler potverteren. En, zoals Einstein as wist: een vooroordeel is moeilijker te splitsen dan een atoom. Rousfeti en fakelakia: het goddelijke monster in Griekenland In de twintigste eeuw heeft Griekenland twee dictaturen, een buitenlandse bezetting en een burgeroorlog doorstaan. Na de rechtse dictatuur van de kolonels werd Griekenland in 1975 een parlementaire republiek. Het land had tot dan nooit een uitgebouwd socialezekerheidsstelsel gekend. Sociale hulp voor zieken, gepensioneerden, invaliden en werklozen was er haast niet. En dus moest alles wat sociale voorzieningen aangaat, “geregeld” worden. Er was de steun van familie en vrienden of – voor wie het zich kon permitteren – een envelopje in het vuistje. In 1981 kwam de sociaaldemocratische partij Pasok aan de macht en die maakte een begin met een heel systeem van politiek cliëntelisme, voornamelijk in de publieke sector. Zonder partijkaart geen job, geen sociale bescherming en geen uitkering. Rousfeti, zo heet die politieke klantenbinding. Pasok en de rechtse partij Nieuwe Democratie zijn er meesters in. U kent het fenomeen want het is niet zo dat we dat in ons land nooit gekend hebben. Vriendjespolitiek voor iedereen maar toch vooral voor de grote bedrijven. Het systeem van smeergeld draagt de naam fakelakia. Met als summum wellicht de contracten voor de Olympische Spelen waar de Griekse staat uiteindelijk acht miljard euro mee verloor. Wat journaliste Ingeborg Beugel daarover schreef was maar al te waar. Om contracten binnen te rijven voor het ultra gesofisticeerde beveiligingssysteem bij de Olympische Spelen bijvoorbeeld kocht Siemens verschillende politici, hoge ambtenaren en legerleiders om. Zowel Nieuwe Democratie als Pasok mochten langs de kassa passeren. Een oud-kaderlid van Pasok gaf toe dat hij 420.000 euro had aangenomen van een topman bij Siemens, kort voor de verkiezingen van 2000. Een gebaar van goodwill zeg maar, al kostte die geste wel bijna een half miljoen euro. Voor wat hoort wat, Siemens kreeg het contract. “Maar”, zo vertelde de man, “ik heb dat geld aan de partij geschonken zonder de partijtop op de hoogte te brengen van de oorsprong van het geld.” Een verhaal met hoog Agusta-Dassault-gehalte. Ze bestaat dus welzeker, de corruptie in Griekenland. De fraude van de zesduizend grotere ondernemingen wordt op 15 miljard euro per jaar geraamd. Ter vergelijking, in België wordt de grote fiscale fraude op 30 miljard euro geschat. En iedereen zal zich herinneren dat het Luxemburgse zwarte geld van KBC onaangeraakt bleef wegens procedurefouten, en dat de Belgische overheid zelfs nog eens geld moest aan textielboer Roger De Clerck omdat zijn proces te lang bleef aanslepen. Politiek cliëntelisme en corruptie zijn geen typisch Griekse problemen, net zo min ze typisch Belgische problemen zijn. Ze zijn eigen aan het kapitalisme, aan het ellebogenwerk in de wedren naar het grootste stuk van de markt en naar de tweecijferige rendementen. “Het is de Grieken een doorn in het oog dat premier Papandreou nog niet één corrupte politicus heeft weten aan te klagen, niet één ondernemer of scheepsreder heeft gestraft en dat er nog geen eurocent is teruggevonden van de miljarden euro’s die in diverse zakken zijn verdwenen”, schrijft Ingeborg Beugel. De regering wordt uitgespuwd. Waar Papandreou komt, worden zwarte vlaggen uitgehangen. Wanneer zijn minister van Binnenlandse Zaken naar de film gaat, herkennen studenten hem in de bioskoop en wordt water over zijn hoofd gekieperd, en yoghurt. En dan wordt de minister onder een luid fluitconcert uit de filmzaal gehoond. Panhelleense Socialistische Kleptocraten, een regering van dieven dus, zo noemt professor sociologie James Petras de regerende Pasok-partij: “Pasok is opgebouwd rond een elite en een achterban die nooit belastingen betaalde maar geld uit de staatskas haalde en van overheidsgiften afhing. Steenrijke reders ontweken belastingen door onder vreemde vlag (Panama) te varen. Maar ze wilden wel Griekse zeekapiteins inhuren en betaalden graag voor de partijkas. Juristen, artsen en architecten gaven nauwelijks inkomsten aan en ontvingen onder tafel cash betalingen als niet-aangegeven inkomen dat hun salaris ver overschreed. Bedrijfsleiders, vastgoedspeculanten, bankiers en importeurs betaalden steekpenningen aan partijleiders om zich te verzekeren van belastingverminderingen en om EU-leningen veilig te stellen. Die recycleerden ze tot toeristische eigendommen en overzeese rekeningen. Zo vormden de partij en de zakenelite een georganiseerd netwerk van kleptocraten. Ze plunderden de schatkist en lieten het aan de lonen en salarissen van de werkende mensen over de rekening te betalen. Want van die lonen worden wel degelijk de belastingen afgehouden. Voor de loontrekker is Griekenland een slecht land, want hij is de enige die er belasting betaalt.” Goldman Sachs International en het gesjoemel met de cijfers Dat de geproduceerde rijkdom in de loop der jaren almaar meer bij de elite bleef plakken en de koopkracht van de bevolking achterbleef, maakte Griekenland structureel instabiel. Ook al omdat het inkomen van het volk voor een groot stuk opging aan consumptiegoederen uit het buitenland. De zuidas van Europa diende als afzetmarkt voor de exporteconomieën in het centrum ervan, met Duitsland op kop. Daarvoor kreeg de zuidas welwillend kredieten onder meer van… Duitse banken. Zo vloeide het in het buitenland geleende geld weer terug naar datzelfde buitenland. In de periode 1975-1980 had Griekenland nog een overschot van 1,5 procent op de handelsbalans: er werden meer goederen en diensten uitgevoerd dan ingevoerd. In de jaren 1990-2000 sloeg die balans om naar een tekort van 3 procent, en vanaf de toetrede tot de euro verslechterden de resultaten tot een negatieve handelsbalans van 10 à 13 procent. Griekenland ging producten invoeren die het voordien zelf produceerde. Door de financiële crisis schoten de overheidsschulden plots snel omhoog: van 115 procent van het bbp in 2007 naar 143 procent in 2010. En daardoor steeg, in een kettingreactie, ook nog eens de rente op die schulden heel snel. Vooral die rentelast hangt als een molensteen om de economie: een decennium geleden moesten de Grieken jaarlijks 9 miljard euro afbetalen aan interest op de lopende leningen, in 2010 was dat al meer dan 15 miljard. De boel ontplofte in oktober 2009, toen “de twee papa’s” van de Griekse sociaaldemocratie, premier Giorgos Papandreou en zijn Financieminister Giorgos Papakonstantinou onthulden dat hun voorgangers stelselmatig valse, veel te rooskleurige cijfers over de Griekse overheidstekorten hadden gepresenteerd. Het begrotingstekort zou in 2009 12,7 procent bedragen in plaats van 3,7 procent. De collega’s premiers en ministers van de andere eurolanden beweerden dat de Grieken zowat iedereen in Europa hadden belazerd. Didier Reynders, sinds mensenheugenis onze minister van Financiën, erkende later in de Franse zakenkrant La Tribune deemoedig: “Van bij de toetreding van de Grieken tot de eurozone in 2001 wisten we dat hun statistieken vervalst waren.” The New York Times berichtte dat twee Amerikaanse grootbanken, JP Morgan en Goldman Sachs tien jaar lang professioneel geholpen hebben om de correcte Griekse schuld- en begrotingscijfers te verdoezelen. En wie was in die periode vicevoorzitter en managing director bij Goldman Sachs International? Meneer Mario Draghi. Ondanks het gesjoemel met de Griekse cijfers – Draghi had dat moeten weten, het was welbeschouwd zijn bank – hebben Merkel, Sarkozy en de andere Europese leiders Draghi voorgedragen als nieuwe voorzitter van de Europese Centrale Bank.
Kampioenen van de dubbele moraal zijn ze. Met de rechterhand steken ze foei foei foei het belerende vingertje op naar de vervalsing van de Griekse begrotingscijfers. Tegelijk deelt hun linkerhand met veel protocol een van de meest strategische Europese functies uit aan een topman van de bank die bij deze vervalsing heeft geholpen. De wil van de trojka wordt wet Na de onthullingen van de twee papa’s van Pasok eind 2009 storten de financiële markten zich als een Minotauros op Hellas. Meteen verlagen de ratingbureaus de Griekse kredietwaardigheid zodat het voor Athene duurder wordt geld te lenen. De rente op die leningen staat almaar hoger. Speculanten zetten ook in op een faillissement van het land. Ze kopen op grote schaal credit default swaps, een soort verzekeringen die veel opleveren als Griekenland zijn staatsleningen niet meer zou kunnen aflossen. Op 15 januari 2010 dient Papandreou, in nauwe schoentjes, een eerste plan in bij de Europese Commissie. Het is het grootste besparingsplan sinds de jaren vijftig van vorige eeuw. Het Stabiliteits- en Groeipact van de EU bepaalt namelijk dat het begrotingstekort van elke lidstaat moet worden teruggebracht tot drie procent en Papandreou plooit zich naar die norm. Hij schroeft de btw en de pensioenleeftijd naar omhoog en snijdt flink in de openbare diensten. Hij belooft ook de belastingontduiking aan te pakken. De Europese instanties geven hun fiat maar tegelijk wordt Griekenland onder scherp toezicht van de Unie geplaatst. Op 3 maart 2010 antwoordt ook het Griekse volk op dat plan van Papandreou. Die dag staat Griekenland in rep en roer. De havens, de luchthavens, de banken, radio en televisie, het onderwijs, het openbaar vervoer… alles ligt plat. Griekenland komt op straat. Het Griekse parlement moet op die dag het plan goedkeuren. Daar staan de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Muntfonds op. De wil van deze “trojka” is wet. Anders komt er geen hulp: Giorgos Papakonstantinou smeekt het halfrond het draconische besparingsplan goed te keuren “om onze geloofwaardigheid op de markten te herwinnen”. Zo geschiedt. Overal in Europa reageren de krijtstreeppakken enthousiast. De nieuwe iron lady Angela Merkel is in haar nopjes: “Wij juichen de maatregelen toe die de Griekse regering vandaag heeft genomen. Dit is een zeer belangrijk signaal aan de markt om opnieuw vertrouwen te stellen in Griekenland, maar ook in de euro.” Liefst van al hadden Duitsland, Nederland en anderen Griekenland failliet laten gaan. Daar werd ook de bevolking voor ingeschakeld. 61% van de Duitsers is tegen elke steun aan Griekenland, schrijft de gegoede pers in die maartmaand van 2010. Tja, men heeft de Duitse gezinnen al wekenlang dagelijks gezegd dat elke familie honderden euro’s moet ophoesten voor de Griekse redding. Maar Duitse en andere banken zitten opgescheept met voor miljarden Grieks schuldpapier. En niet alleen de banken zijn kwetsbaar, ook verzekeraars en pensioenfondsen zitten met die beleggingen. Er is daarbij het risico dat een domino-effect ook andere zwakke eurolanden zoals Ierland, Portugal of Spanje zou doen omvallen. Dat zou een catastrofe zijn. En dus groeien de plannen voor een Europees reddingspakket. De lente van 2010 brengt geen kentering, de positie van Griekenland op de kapitaalmarkt blijft verslechteren. Eind april 2010 stuurt Giorgos Papandreou van op zijn vakantie-eiland Kastelorizo een noodsignaal uit. De situatie is zo penibel dat hij de Europese Unie op zijn blote knieën om nieuwe leningen smeekt. Jean-Claude Trichet van de Europese Centrale Bank, Dominique Strauss-Kahn, op dat moment de topman van het IMF, en José Manuel Barroso eisen eerst verdere draconische besparingen.
“Laat de modale Griek opdraaien”, is de eis van de trojka. Daar zal het netwerk van de familie Latsis en andere steenrijke Hellenen niet vreemd aan zijn. Intussen vliegen functionarissen van IMF, EU en ECB naar Athene om het verscherpte toezicht concreet te maken. Op 2 mei legt Papandreou een nieuw soberheidspakket voor. Een pakket van bloed en tranen. Lonen in de openbare dienst worden gemiddeld met 10 procent verminderd. De btw gaat verder omhoog. De lonen voor overuren worden afgeslankt, de premies voor Pasen, Kerstmis en vakantiedagen in de openbare dienst gekortwiekt, ook voor alle gepensioneerden. Je moet voortaan 40 jaar hebben bijgedragen, in plaats van 37, om recht te hebben op een volledig pensioen. Ook wordt het pensioen voortaan berekend op basis van de tien laatste werkjaren in plaats van de vijf best betaalde werkjaren voorheen. Daardoor gaat het pensioen voor de meeste mensen fors naar beneden. Het minimumloon zakt naar 592 euro. Drie dagen later, op 5 mei, organiseren de vakbonden een algemene staking, de derde al in enkele maanden. Papandreou houdt het been stijf. Algauw voelt Irini de gevolgen. Zij is negenentwintig en lerares: “Vandaag is mijn loon op mijn bankrekening gestort. Voor het eerst is het een ander bedrag, door de maatregelen van Papandreou. Ik heb uitgerekend dat ik jaarlijks meer dan een maandinkomen moet inleveren. Het is ongelooflijk dat het onderwijs zo wordt getroffen. Waarom pakt Papandreou andere sectoren niet aan? De rijke reders bijvoorbeeld? Moeten die dan niets bijdragen?” Kleuterleidsters, stewardessen, boeren, bankbedienden, bouwvakkers, verkoopsters en gepensioneerden laten inleveren voor een crisis die zij niet veroorzaakt hebben, om het vertrouwen van de financiële markten te winnen? Het gaat heel wat mensen het petje te boven. Ingeborg Beugel maakt de optelsom: “Een leraar verdient na de eerste bezuinigingsronde van 2010 gemiddeld nog 800 euro per maand. Daarvan gaat 500 euro naar huur en andere vaste lasten. Je houdt 300 euro over om van te leven. Aan een gezin kun je als leraar bijna niet beginnen. En wat moet je als kleuterleidster of stewardess met een salaris van 650 euro per maand?”
Bron: EarthWatcher
Noot van de redactie: Morgen deel 2
+ 0 + 0
|